zaterdag, april 28, 2007

Feels Like Home

Enkele weken geleden kreeg ik eindelijk eens bezoek uit Belgie, mijn teergeliefde ouders wilden namelijk van mijn verblijf hier profiteren om zelf eens te komen zien wat ik hier nu allemaal zo geweldig (en minder geweldig) aan vond. Er zijn altijd dingen die terugkeren tijdens een vakantie met mijn ouders. Geslenter, ergernis omdat er wordt geslenterd, veel plaspauzes (ze worden al een dagje ouder xD), fotopauzes, rustpauzes, rookpauzes, commentaar op de gemiddelde Japanner, belachelijk veel bezoekjes aan tuinen, bloemetjes bekijken, inspiratie opdoen voor dingen thuis (waar zelden effectief iets mee wordt gedaan) en natuurlijk zo nu en dan een “meningsverschil” om mij toch een beetje het thuisgevoel te geven!

Het plan was dat ze een week bij mij zouden doorbrengen, niet alleen om de belangrijkste toeristische hotspots in mijn buurt te bekijken, maar ook om wat kennis te maken met de Japanse cultuur en gewoontes, omdat mijn ouders gedurende de tweede helft van hun verblijf zonder mij naar het noorden zouden trekken om Tokyo te verkennen! Ik had op voorhand natuurlijk niks concreets gepland (alsof iemand iets anders had verwacht), maar nu dat ik op alles terugkijk kan ik zeggen dat het hele verblijf, met de nodige improvisatie, zonder al te grote problemen is verlopen.

De eerste dag is er niks speciaals gebeurd, aangezien ze pas waren aangekomen leek het mij niet echt aangenaam om al direct een hele uitstap te maken, dus is er gewoon wat rondgeslenterd in het centrum van Osaka, wat op zich al een hele attractie is voor buitenlanders. Na de nodige commentaar op de gestalte van de Japanners, de idiote mondmaskertjes, de mode, de verwondering over de pachinko-verslaving en het wennen aan de massa’s volk op straat, was het tijd om de Japanse keuken te introduceren met een van mijn favoriete gerechten, okonomiyaki! Het eten met stokjes was niet evident, maar tot mijn opluchting bleven mijn ouders volharden omdat het uiteindelijk niet het lastigste ding ter wereld is.




De volgende dagen werden veel interessanter, met een verkenning van Kyoto, waarschijnlijk de meest populaire stad van Japan. Aangezien we hier maar twee dagen tijd voor hadden, is er veeeeeel gewandeld, maar mijn ouders hebben de belangrijkste bezienswaardigheden gezien, en ik heb er van geprofiteerd om enkele plekjes waar ik zelf nog niet was geweest ook eens te bekijken.

Natuurlijk moesten we weer eens een kijkje nemen in het gigantische station, een van de mooiere moderne gebouwen in Japan naar mijn mening. Een van de eerste historische plaatsen die we bezochten was het Nijo-kasteel. Het kasteel zelf was de vroegere residentie van de Tokugawa-shogun, en om indringers te vermijden was de vloer zo geconstructureerd dat het onmogelijk is om er geruisloos over te lopen. De kamers zijn versierd met prachtige wandschilderingen (mijn pa kon het ondanks het verbod niet laten om er stiekem een paar foto’s van te nemen).



Interessanter dan het woonhuis was de omringende tuin, die vaak is aangehaald als een typisch voorbeeld van traditionele Japanse tuinen. Veel gigantische stenen, mooi in model gesnoeide bomen, een vijver, en hier en daar een lantaarn zijn zowat de basiselementen die ik kon onderscheiden. Spijtig genoeg waren we een paar weken te vroeg, en stonden de kerselaars bijgevolg nog niet in bloei.

Met het bezoek aan Nijo was de toon voor de rest van de dag gezet, en zodoende hebben we onze eerste dag Kyoto vooral doorgebracht in verschillende zen-tuinen. Nu, dit is niet helemaal hetzelfde als een gewone tuin. Een zen-tuin bestaat eigenlijk maar uit 1 element, kiezel. Op een redelijk kleine oppervlakte wordt een hoop kiezel gegooid, die dan in een of ander patroon wordt geharkt. Hier en daar wordt er nog een steen neergelegd, maar voor de rest stelt het eigenlijk niet zo veel voor, alhoewel bepaalde personen er gerust een uurtje bij zouden kunnen mediteren.


Leuker vond ik het bezoekje aan het Gouden Paviljoen, ook al was ik hier al eens geweest, een tweede bezoek was de moeite waard, alleen regende het waardoor de mooie weerspiegeling in het water spijtig genoeg niet echt zichtbaar was. Na een wandelingetje langs Kawaramachi, een drukke winkelstraat, zijn we naar, hoe on-Japans, de Chinees geweest. Dit is overigens totaal niet te vergelijken met het Chinese eten bij ons, hier is er veel meer variatie en alles is gewoon lekkerder, niet te vergeten dat er heel wat mooi volk bij rond liep!




De tweede dag hadden we wat meer geluk met het weer, en konden we onder een stralende zon vol goede moed beginnen aan de rest van ons Kyoto-avontuur. De eerste halte was het Heian-schrijn. Ik was hier al eens geweest met het Jidai-festival, maar deze keer was het binnengedeelte wel open voor het publiek.




Dit was stukken groter dan ik had verwacht, en met de werkelijk prachtige tuin is het echt de moeite om te bezoeken, ook al ben je maar een dag in Kyoto. Hier en daar stond al een kerselaar in bloei, wat het geheel alleen maar mooier maakte.



De volgdende stop was het Zilveren Paviljoen (in tegenstelling tot het Gouden Paviljoen wat effectief met goud is bedekt was dit een vrij teleurstellend gebouw zonder ook maar iets van zilver te bespeuren), met alweer een zen-tuin om bij te bezinnen. Onze wandeling werd voortgezet langs het Filosoferspad, een weggetje van een paar kilometer dat langs verschillende tempels leidt, en vooral mooi is omwille van de talrijke kerselaars die langs het beekje staan.



Na veel te traag geslenter in mijn ogen kwamen we uit bij mijn hoogtepunt van de dag, de Kiyomizu-dera. Deze tempel is veruit een van de beroemdste in Japan, en is zelfs een kandidaat om bij de nieuwe wereldwonderen te horen! Het is een van de drukst bezochte plaatsen in Kyoto, en de weg ernaartoe wordt omringd door talloze souvenirwinkeltjes, wat het er spijtig genoeg allemaal een beetje te druk op maakt.



Als de grote poort en de pagode nog niet indrukwekkend genoeg waren, vond ik het hoofdgebouw pas echt WAW. Het hele ding is gebouwd op een eeuwenoude constructie van houten palen, bovenop een klif. Van hieruit heb je een prachtig uitzicht over het oude stadsgedeelte, en de hele omgeving is echt geweldig om te zien. Het bezoek aan Kyoto werd afgesloten aan het Yasaka-schrijn, waar ik al verscheidene keren was geweest. De ervaring had mij geleerd dat dit vooral ’s avonds de moeite is omwille van de mooie verlichting, terwijl het overdag eigenlijk gewoon een van de vele schrijnen is.

zaterdag, april 14, 2007

Boobs

Mijn mannelijke lezers, die ongetwijfeld worden aangetrokken door deze titel (probeer het maar niet te ontkennen, ik weet hoe oppervlakkig jullie allemaal kunnen zijn!) zal ik moeten teleurstellen, ik vrees dat dit niet de blog is die jullie verwachten (dus niks over “mooie blauwe ogen”, Aline, xD). Eind maart werd er in Osaka een van de zes nationale sumo-toernooien georganiseerd, en natuurlijk moesten we dit maar eens gaan bekijken.

Het doel van sumo is de tegenstander ofwel tegen de grond te krijgen, ofwel om hem buiten de ring te duwen, taken die me allebei niet simpel lijken aangezien de kerels niet bepaald mager kunnen worden genoemd. Een eerste ding dat mij opviel was dat er ongelofelijk veel aandacht wordt besteed aan ceremonieel gedoe. Alles is sterk geinspireerd door Shintoisme, en er geldt een strikte etiquette, wat het geheel met momenten een beetje saai maakt. Als de worstelaar de ring ingaat worden er eerst een hoop rituelen uitgevoerd, zoals water drinken, met de voeten op de grond stampen, en zout gooien om de ring te zuiveren, iets wat ook bij ons wel eens op TV is getoond.

Daarna zetten de worstelaars zich tegenover elkaar, kijken elkaar eens goed boos aan, om vervolgens weer op te staan en dezelfde rituele handelingen van enkele seconden ervoor nog maar eens uit te voeren! Dit wordt nog een paar keer herhaald, officeel als een soort mentale voorbereiding, maar volgens mij vooral om het publiek een beetje in de juiste stemming te krijgen, alhoewel het na tien matchen redelijk saai werd in mijn ogen. De echte match duurt slechts enkele minuten, maar is redelijk spectaculair om te zien, als er zo’n gewicht wordt rondgegooid is er altijd sensatie.

Naast de eigenlijke match vinden er nog enkele ceremonies plaats. Zo voeren de scheidsrechters (gyoji) gekleed in een kimono in de stijl van de Kamakura-periode een paar symbolische handelingen uit, maar er is ook het optreden van de yokozuna. Een Yokozuna is een van de beste sumo-worstelaars, in de afgelopen drie eeuwen zouden er maar 62 worstelaars deze titel waardig zijn geweest, en de qualificaties om deze rang te verwerven zijn niet min. De Yokozuna voert een soort rituele dans (dohyo-iri) uit, wat eigenlijk gewoon inhoudt dat hij een paar keer in de handjes klapt en eens goed hard op de grond stampt.

Al bij al is het echt wel cool om eens mee te maken, vooral omdat het Japanse publiek er echt in opgaat, maar ik vrees dat het niet echt een sport is waar ik een grote fan van zal worden, ook al omdat ik de verschillende deelnemers gewoon niet uit elkaar kan houden! Nog een klein ding dat mij is opgevallen, tussen de Japkes liep er ook een buitenlander rond, een Bulgaar die de laatste jaren blijkbaar populair is geworden, en naar wat ik heb gehoord is het ongebruikelijk dat een buitenlander hoog opklimt in de sumo-wereld.

Quiet Place in My City Mind

Na een aantal dagen in een van de drukste steden ter wereld te hebben doorgebracht, moest ik even tot rust komen voordat ik terugkeerde naar the edge of civilization. Ik had de behoefte om te onthaasten om het met een mooi modewoord te zeggen, een beetje soulsearching te doen, in het reine komen met mezelf etc, en waar kon ik dat beter doen dan in Kamakura, het centrum van het Zenboeddhisme in Japan!

Kamakura was de hoofdstad van Japan onder het bewind van de Minamoto –en Hojo-families (1192-1333), en alhoewel dat dit bewind voornamelijk militaristisch was, heeft de Rinzai-sekte, de belangrijkste zen-sekte in die tijd, zijn stempel op de stad kunnen drukken met een hele hoop tempels. Omdat het onmogelijk is om de 84 heiligdommen op een dag te bezoeken, en omdat je bij iedere tempel al gauw moet betalen om er even rond te lopen, heb ik mij maar beperkt tot de interessantste bezienswaardigheden. Over het algemeen kan Kamakura worden gezien als “opwindend rustig” (om het met melige Kinrooi-marketing uit te drukken), veel drukte maar tegelijkertijd ook veel stilte in de buurt van de tempels.

De twee belangrijkste tempels van de sekte zijn de Engaku-ji en de Kencho-ji. Het eerste wat mij bij deze tempels opviel was dat de omgeving ongelofelijk rustig was. In de meeste tempels is er redelijk wat lawaai, en loopt er veel volk rond, maar ondanks de ligging in de buurt van een station en een drukke straat, was het er opvallend stil, wat wel handig is voor de mediterende monniken.

De mooiste tempel in mijn ogen was de Hase-dera, gesticht ergens in de 15de eeuw en gewijd aan een of andere Kannon met een hoop hoofden (ik vrees dat mijn kennis van Oost-Aziatische kunst na minder dan een jaar redelijk achteruit aan het gaan is). Ik had het beeld van de Kannon, de boeddhistische god van de barmachtigheid, al eerder in een van mijn cursussen gezien, maar om deze in het echt te zien was indrukwekkend, zeker omdat het maar liefst 9 meter hoog was, wat het het grootste houten beeld in Japan maakt!

De tuin rond de tempel is beroemd omdat deze alle idealen van zen zou bevatten (niet dat ik enig idee heb wat deze zijn), het was niet echt groot maar de aanleg getuigt van een grote eenvoud en harmonie. Een van de opvallendste dingen waren de honderden “jizo” beeldjes. Jizo is de beschermheilige van kinderen, en wordt vooral vereerd als de bewaker van kinderen die bij een miskraam of een abortus zijn gestorven. Veel vrouwen offeren een beeldje na een afgebroken zwangerschap, maar er waren ook veel jonge koppels die kwamen bidden voor een succesvolle en vlotte zwangerschap.

Een ander impressionant beeld was de Daibutsu, het op een een na grootste bronzen beeld van een Boeddha in Japan (het grootste beeld staat in de Todaiji in Nara, zie de map met foto’s), en ik vond het eerlijk gezegd een stuk mooier dan de gigantische Todaiji-boeddha. De Daibutsu is van een latere periode, en de proporties zijn veel meer in evenwicht waardoor het er toch wat eleganter uitziet.

Zo, dit is ongeveer het hele verslag van mijn trip naar Tokyo, de rest wat nog het vermelden waard kon zijn ben ik hoogstwaarschijnlijk vergeten, en zal nooit meer boven komen vrees ik. Kijk uit naar de volgende updates, waarin ik het onder andere eens ga hebben over eten, en uiteraard over de ongetwijfeld spannende avonturen die ik met mijn ouders heb beleefd!

donderdag, april 05, 2007

Terra & Agua

Laten we eerlijk zijn, de kans dat ik ooit in een aangenaam hiernamaals terecht zal komen is bedroevend klein, xD. Hier heb ik mij al lang bij neergelegd, maar aangezien ik mijn nieuwsgierigheid toch moeilijk kan bedwingen had ik tijdens mijn verblijf in Tokyo beslist om eens een voorproefje te nemen van de hel die mij ongetwijfeld te wachten staat, Owakudani!

Owakudani ligt in een gigantisch natuurgebied, Hakone (in de buurt van de berg Fuji) het doel van een kleine uitstap die ik met Stijn heb gemaakt. Na een paar uur op enkele boemeltreintjes, moesten we nog een kwartiertje de kabellift nemen voordat we eindelijk iets spectaculairs te zien kregen, de zwavelbronnen van Owakudani! Vanuit de lift hadden we al een indrukwekkend uitzicht over de bronnen, maar dit kon ons nog niet echt voorbereiden op de stank die ons te wachten stond toen dat we boven aankwamen. Niet zonder enig gevaar begaven we ons op een korte wandeling door het woeste landschap dat iets van een inferno weg had, tot aan de eigenlijke warmwaterbronnen waar de stank echt niet te harden was.


Iets typisch aan Japanse toeristen is dat die voornamelijk reizen om de verschillende specialiteiten van een streek te proeven. Zoals wij kitsch kopen om als souvenir mee te nemen, schaffen de Japanners zich allerlei streekproducten aan, die al dan niet ter plekke worden opgegeten. DE specialiteit van Owakudani zijn de 黒卵, zwarte eieren die in de naar zwavel stinkende modder worden gekookt. Niet echt mijn idee van een lekkernij, maar de Japkes kregen er maar geen genoeg van. Of het lekker is laat ik in het midden, maar veel mensen geven als voornaamste reden om ze te eten “dat het gezond is”, wat in mijn ogen meestal wil zeggen dat ze het, net zoals natto, beschouwen als een noodzakelijk kwaad.

Nadat we net niet waren bezweken in deze hel, gingen we verder richting Moto-Hakone, eerst een uurtje met de bus, en daarna nog een halfuurtje met de lelijkste ferryboot die ik ooit heb gezien. Dat Japanners er niet vies van waren om bepaalde Westerse dingen over te nemen en helemaal te ruineren was mij al bekend, maar dit was er toch echt wel over. Anyway, we staken het Ashino-meer over, om vervolgens van het uitzicht op de poort van het Hakone-Gongen-schrijn te genieten, wat pas echt spectaculair werd toen dat op de achtergrond de berg Fuji vanuit de wolken verscheen!

Een andere excursie vanuit Tokyo die de moeite waard is was Nikko, een plaatsje in de bergen dat al eeuwenlang om een of andere reden als heilig wordt beschouwd. Aangezien dit een eindje is, een viertal uurtjes met de trein, heb ik er een tweedaags tripje van gemaakt. De eerste dag heb ik mij voornamelijk beperkt tot Nikko zelf, aangezien daar op zich al een hele dag in kan worden rondgeslenterd. De voornaamste attractie is het Toshogu-schrijn, een tempel opgericht als mausoleum voor Tokugawa Ieyasu, de grondlegger van het Edo-Bakufu dat aan de basis lag van de relatief vreedzame Edo-periode.

Alhoewel Ieyasu een bescheiden heiligdom wenste, kon zijn kleinzoon er niet aan weerstaan om er een gigantisch en overdadig versierd complex van te maken. Het schrijn is bekend als een van de rijkst versierde heiligdommen in Japan, waardoor het in mijn ogen redelijk dicht bij de Chinese cultuur aanleunt. Ik vond het eerlijk gezegd een van de mooiste heiligdommen, misschien een beetje TE druk met momenten, maar het geheel was werkelijk prachtig, vooral ook omdat het in een mooie omgeving lag.


’s Avonds had ik mij voorgenomen om in Yumoto-Onsen te overnachten, een dorpje gelegen in de middle of nowhere, bekend voor zijn warmwaterbronnen. Na een paar uur op de bus kon mijn geluk niet op toen ik MIDDEN IN DE SNEEUW uitstapte! Ik was tijdens de winter teleurgesteld dat er in Osaka geen sneeuw was gevallen, dus om hier in een sneeuwstorm terecht te komen was voor mij echt geweldig, het was echt al tijden geleden dat ik zoveel sneeuw had gezien.

Ik zocht mij ergens een Ryokan, een traditioneel Japans hotel, en aangezien het buiten het toeristische seizoen was, kreeg ik een enorme kamer die normaal voor vier personen was bedoeld. Na van een typisch Japanse maaltijd te hebben genoten (和食) begaf ik mij naar de onsen. Ik had al eens een onsen gebruikt tijdens een studie-uitstapje, maar deze was nog beter. Niet alleen was dit echt bronwater, er was ook een buitenbad! Dit houdt dus in dat ik heerlijk heb zitten te relaxen in 50 graden water te midden van de sneeuw. Er zijn maar weinig badervaringen beter dan deze, massa’s sneeuw om je heen, een gloeiend heet bad, en ondertussen voelen hoe de natte haren op je hoofd aan het bevriezen zijn!

Op de tweede dag heb ik eerst wat rondgeslentered in Yumoto-Onsen, en daarna heb ik mij aan een wandeltocht van 7 kilometer, door de sneeuw gewaagd richting Chuzenji-Onsen. Bitter koud, zeker omdat ik gewoon in mijn blazer en sneakers rondliep, maar zeker de moeite waard om eens te proberen vanwege het prachtige landschap, wat volgens de meeste reisgidsen nog mooier schijnt te zijn in de zomer. Ik vond het grappig om de geshockeerde gezichten te zien van ervaren wandelaars in hun professionele uitrusting, die toch wel wat moeite hadden met recht te blijven op slipperige hellingen. Ik moet hier ook even vermelden (overigens niet zonder enige trots) dat ik de familie-traditie, ondanks mijn gladde sneakers, niet heb voortgezet en dus zonder ook maar een keer te struikelen of te vallen tot op het eindpunt ben geraakt! De beelden spreken eigenlijk voor zich, vooral het uitzicht over het meer was spectaculair, net zoals de 97 meter hoge Kegon waterval.


maandag, april 02, 2007

In the City

Ueno was voor mij een van de leukere delen van Tokyo om in rond te slenteren. Na WO II was de stationsbuurt de zwarte markt voor Amerikaanse producten, en dit verleden heeft zijn stempel gedrukt op de wijk.. Veel kleine straatjes met zelfs naar Japanse normen ontzettend drukke winkels die vanalles en nog wat verkochten, voornamelijk kleding en etenswaren, kleine eetkraampjes op straat met takoyaki, okonomiyaki en andere lekkernijen. Het voelde met momenten allemaal een beetje marginaal aan, maar ik heb mij toch wel even geamuseerd met rond te snuffelen in diverse prullenwinkels, wat mij enkele leuke dingen heeft opgeleverd waar ik nog heb kunnen afdingen ook!

Ueno Park is vooral beroemd voor zijn kersenbloesems, en in de volle bloeiperiode is het hier echt veel te druk, maar aangezien ik begin Maart ben geweest was het nog redelijk rustig, alhoewel hier en daar al een kerselaar in bloei stond. Het park is ook bekend voor zijn best wel grote dierentuin, die vooral reclame maakt met een zeldzame pandabeer. Aangezien er hier nog maar een duizendtal van overblijven, kon ik het niet maken om deze niet te gaan bekijken, ook al was het er eentje in gevangenschap, ik denk niet dat veel mensen kunnen zeggen dat ze al eens een echte pandabeer hebben gezien xD.

In Ginza bevindt zich het drukste kruispunt ter wereld, alhoewel dat in mijn ogen eigenlijk nog meeviel, en om zijn peperdure boetieks en restaurants, die tot de duurste in Japan behoren. De wijk Tsukiji er vlak naast is dan weer DE plaats in Tokyo om sushi te gaan eten, Hier vind namelijk iedere morgen tussen 5 en 7 de visveiling plaats (veel te vroeg voor mij om naar te gaan kijken, ik slaap liever dan al voor het licht wordt tussen de vis te zitten). Ik heb er van geprofiteerd om hier eens sushi te eten, en ik moet zeggen dat, alhoewel ik geen expert ben, het toch wel de beste sushi is die dat ik tot nu toe in Japan heb gegeten. Blijkbaar was de sushi-bar die ik had uitgekozen ook nog redelijk populair, aangezien er toen ik buitenkwam een dertigtal mensen stonden aan te schuiven voor een zaakje waar er amper tien binnen konden.

Yasukuni zal bij sommigen een belletje doen rinkelen, dit controversiele schrijn is namelijk een van de oorzaken van minder gunstige relaties tussen Japan en zijn Oost-Aziatische buurlanden. Het is nu eenmaal zo dat hier naast oorlogsslachtoffers ook een aantal door een international tribunaal veroordeelde oorlogscriminelen worden vereerd, en als een premier (Koizumi) hier bezoekjes aan brengt kan dit dan wel eens voor wat opschudding zorgen. Het schrijn zelf is niets speciaals, ik heb er al mooiere gezien tijdens mijn verblijf hier, maar voor een Japanoloog is vooral het museum de moeite waard, aangezien hier een revisionistische visie op de Japanse geschiedenis wordt gehanteerd.


Zo worden de kamikaze bijvoorbeeld vereerd als helden, terwijl men terloops vergeet dat ze dit heldendom verworven door zich te pletter storten op een vliegdekschip. De inval van Nanking (de toenmalige Chinese hoofdstad) wordt in twee regeltjes vermeld, zonder ook maar een verwijzing naar de daaropvolgende slachtpartij, waarbij volgens bepaalde bronnen maar liefst 300.000 doden vielen. Ook wordt er nergens ook maar gealludeerd op het feit dat Japan de oorlog heeft uitgelokt, in plaats hiervan wordt Japan opgevoerd als de grote beschermer, de bevrijder van kolonies in Zuid-Oost Azie. Het is vooral boeiend voor mij aangezien mijn geschiedenisboeken en andere kennis een heel andere, waarschijnlijk meer accurate visie geven op de geschiedenis, terwijl dat Japanners zelf er maar bitter weinig vanaf weten.

Harajuku heeft eigenlijk twee dingen die interessant zijn voor toeristen. Allereerst is er het Meiji-schrijn, opgericht ter ere van keizer Meiji, de eerste keizer na de opening van het land. Het schrijn zelf is een kopie gebouwd nadat het originele was vernietigd in de Tweede Wereldoorlog, en het is best wel indrukwekkend, ook al om het gigantische park dat er omheen ligt. Het was vooral leuk omdat ik hier maar liefst 2 trouwceremonies heb gezien. Opvallend was dat praktisch alle vrouwen in kimono rondliepen, terwijl van de mannen alleen de bruidegom een kimono droeg (etiquette of zo). Een bruidskleed schijnt hier trouwens ettelijke duizenden euro’s te kosten omdat het uit kostbare zijde wordt gemaakt, en de meeste mensen verkiezen dan ook om er eentje te huren, wat ook al genoeg geld kost peins ik.


De andere “attractie” zijn de cosplayers. Cosplayers zijn mensen die zich verkleden als een of andere anime –of game-personage, en zo op straat rondparaderen. Meestal wordt er ontzettend veel werk gestoken in de kostuums, en ik vond het er dan ook allemaal redelijk cool uitzien (alhoewel ik er zelf natuurlijk nooit aan zou willen meedoen). De brug in Harajuku is een echte verzamelspot, wat best wel grappig is om te zien. Naast de cosplayers liep er nog wat raar volk rond, maar ik vond het pas echt hilarisch dat gewone voorbijlopende Japanners dit allemaal heel normaal schenen te vinden.

Zaterdagmiddag was ik door Yasu, een vriend van Hana uitgenodigd om eens naar een Japanse volleybalmatch te gaan kijken. Hij moest deelnemen in een van de matchen, en ondertussen kon ik wat zitten kwetteren met Saichiko, zijn vriendin(die onnoemelijk veel kan praten overigens). De matchen zelf waren allebei spannende vijfsetters, waardoor dat het leuk was om eens mee te maken. Het was ook grappig dat de supportersclub van Tsukuba verbazend georganiseerd te werk ging, met een repetitie van de aanmoedigingen en dergelijke. Natuurlijk waren de Japkes weer heel braaf en volgde iedereen mooi de regels.

’s Avonds zijn we dan nog iets gaan eten in een of andere Izakaya (een restaurant waar dat je allemaal kleine gerechtjes bestelt, veel alcohol drinkt en over van alles en nog wat praat, een van de leukere restauranttypes in Japan), waar ook een vijftal glaasjes bier aan te pas kwamen!